We krijgen allemaal iets mee.
Van onze ouders.
Van hun ouders.
Van huizen waarin gesproken werd
en huizen waarin gezwegen werd.
We krijgen liefde mee,
angst, gewoontes,
onhandige woorden,
oude reflexen
en soms een wond
waar niemand een naam voor had.
Maar niet alles wat in ons woont
is door onze ouders neergezet.
Een kind komt niet leeg ter wereld.
Er is temperament.
Karakter.
Een eigen manier van kijken,
van terugdeinzen, aanvallen, vertrouwen,
verdwalen en weer terugkomen.
En daarna komt de wereld.
Mensen.
Liefdes.
Verlies.
Vriendschappen.
Afwijzing.
Keuzes.
Toch is het verleidelijk
om achterom te blijven wijzen.
Daar begon het.
Misschien.
Maar waar iets begon
hoeft niet de plaats te zijn
waar het moet blijven wonen.
Er komt een moment
waarop begrijpen
plaats moet maken voor onderzoeken.
Waarom raakt dit mij?
Waarom verdedig ik mij
terwijl niemand mij aanvalt?
Waarom vertrouw ik mijn angst
sneller dan wat er werkelijk gebeurt?
En misschien wel de moeilijkste:
welk deel hiervan
houd ik inmiddels zelf in leven?
Want dan kan er iemand verschijnen
die precies dát deel van je begrijpt.
Of denkt te begrijpen.
Iemand die niet vraagt
of jouw angst gelijk heeft,
maar haar gelijk gééft.
Niet:
kijk nog eens.
Maar:
zie je wel.
En wat heerlijk kan dat voelen.
Eindelijk iemand
die dezelfde schaduw ziet.
Tot twee mensen
elkaars donker beginnen te voeden
en bevestiging verwarren
met waarheid.
Misschien is volwassen worden daarom
niet het ontkennen van wat je is aangedaan.
Het is erkennen wat je hebt meegekregen
zonder alles wat je geworden bent
bij een ander voor de deur te leggen.
Onze geschiedenis mag verklaren
waarom we bepaalde kamers binnenlopen.
Maar op een dag
moeten we zelf besluiten
of we er blijven wonen.
Reactie plaatsen
Reacties