De ontbrekende stoel
Twee mensen bouwen altijd een kamer
die alleen van hen is.
Daar is niets mis mee.
Ze leggen er hun eigen taal neer,
hun herinneringen,
hun stiltes,
de dingen waarvan niemand anders
de betekenis kent.
Misschien is dat wel intimiteit:
een kamer maken
waarin je samen kunt verdwijnen
zonder jezelf kwijt te raken.
Maar een kamer heeft ramen nodig.
En een deur.
Want soms komt er iets anders
bij hen wonen.
Een blik gericht op wat ontbreekt.
Eerst ziet één het.
Een woord dat verkeerd viel.
Een hand die niet werd uitgestoken.
Iemand die er niet was
toen die er had moeten zijn.
De ander kijkt mee.
daar klopt iets niet.
En ineens ziet die het ook.
Zo kan het gemis
een tweede stem krijgen.
Ze voeden elkaars schaduwen,
schuiven de gordijnen iets verder dicht
en noemen het uitzicht.
Niet ineens.
Een stukje maar.
Tot wij zien het zo
langzaam verandert in
alleen wij zien het goed.
De kamer wordt kleiner.
Stemmen van buiten
klinken steeds verder weg.
En ondertussen blijven ze zoeken.
Langs volle tafels,
langs handen die gebleven zijn,
langs alles wat er wél staat,
naar die ene stoel
die ontbreekt.
Maar soms valt het licht
door een kier
die ze vergeten waren.
Eén van hen kijkt op.
Ziet de tafel.
De stoelen.
Het raam.
De deur.
Ziet hoeveel er al die tijd
gewoon is geweest.
En dan gebeurt er iets vreemds.
De ander wijst nog steeds
naar de lege plek.
Komt dichterbij.
Wijst opnieuw.
Maar wie eenmaal heeft gezien
dat de kamer vol is,
kan het ontbreken
niet meer op dezelfde manier zien.
En misschien begint daar
de afstand.
Want wie lang genoeg
samen naar het ontbrekende zoekt,
zal uiteindelijk
het ontbrekende
in elkaar vinden.
Misschien is dat het moment
waarop je moet opstaan.
Niet omdat er geen stoel voor je was,
maar omdat je ontdekt
aan welke tafel
je al die tijd hebt gezeten.
En dat buiten,
achter de gordijnen,
het licht
nooit is weggeweest.
Reactie plaatsen
Reacties